DiDi

Dichters op Dinsdag

Flower

DiDi 125 | Februari

It's the sun!

Het is maar verdomd koud vandaag, wat mij betreft wordt het tijd voor een lente zonnetje, zoals in Paul Rodenko’s gedicht Februarizon

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.

DiDi 124 | Blues

Hier komt de regen met bakken uit de hemel, elders in het land is het sneeuw, of hagel, misschien zelfs wel ijzel. Het zout is op, de goede voornemens zijn mislukt, tijd voor de blues.

Geen geld.
Geen vuur.
Geen speed.

Geen krant.
Geen wonder.
Geen weed.

Geen brood.
Geen tijd.
Geen weet.

Geen klote.
Geen donder.
Geen reet.

Het gedicht is van Jules Deelder en heet Blues on tuesday.

DiDi 123 | Zelfportret

Zelfportret [0452]

1 januari 2008 begon ik met het fotograferen van een dagelijks zelfportret. Ik hield dat vol tot eind oktober 2009, zeshonderdzesenzestig zelfportretten op rij. En nu in januari ben ik begonnen aan een wekelijks zelfportret, want dagelijks blijkt soms toch wel wat teveel te wezen.

Het wonderlijke is: als je jezelf zo vaak ziet, je toch telkens weer wat anders ziet, of een ander aspect. Rutger Kopland schreef daar een mooi gedicht over, toepasselijk getiteld Zelfportret.

Je ziet een man in de tuin
hij lijkt verzonken in zichzelf
die man ben ik, ik weet het
maar als je lang kijkt naar een foto
van jezelf verval je in gepeins –
wie je bent en wie je bedoelt
als je ik zegt, enzovoort
ik kijk en kijk in dat gezicht
en inderdaad – ben ik dat?
over het ik is veel nagedacht
ook door mij, maar de meningen
lopen nog steeds ver uiteen
ook die van mij – zoals dat gaat
met woorden die niet kunnen
worden begrepen
niemand heeft ooit zichzelf gezien
maar het verlangen blijft
naar het onzichtbare ik
je zoekt in wat er van je
overbleef een man in de tuin

DiDi 122 | Wachten

Een mens wacht wat af

Sinds eind november ben ik bezig met een serie foto’s rond het thema wachten. Zodra ik ergens moet wachten pak ik mijn telefoon, richt die op mijn voeten en maak daar een foto van. Vaak serieus, voor de kassa in de supermarkt bijvoorbeeld, soms wat abstracter, op de weegschaal; wachten tot ik een ons weeg.
Ook op Dichters op Dinsdag is het wel eens wachten, een mooi thema dus. Joke van Leeuwen heeft zelfs Vier manieren om op iemand te wachten:

1. Zittend. Denkend aan liggen. Je handen
strijken rimpels in het tafellaken glad
rond een gerecht dat moeilijk en te veel
voor twee en niet als op het plaatje is,
maar ruikt, het ruikt de ramen uit, het
doet zijn best niet in te zakken, zoals
een ingehouden buik niet bol te zijn -
ook andersom is vergelijken.

2. Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
en terug en toch weer naar de ramen,
omdat geluid zich buigt naar wat je
horen wilt, maar het niet is. Er danst
een stoet voorbij, verklede mensen die
iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
goed weten hoe ze heten en te kijken
dansen dat je kijken moet.

3. Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
of die of deze. Van blijven staan komt
niemand tegen, maar met bewegen
wordt haast bereikt wat net verdween.
Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
beweegt en wie dan wie wanneer
en van hoe ver weer ziet.

4. Niet.

De foto is een collage van de eerste 36 wachten foto’s.

DiDi 121 | Sneeuw

Haiku

Het is maar goed dat de sneeuw nog een week is blijven liggen, nu kan dat alsnog mooi het thema zijn. Premier Balkenende vindt het een goed idee als iedereen zijn stoepje sneeuwvrij houdt. Maar is dat wel altijd zo raadzaam? Toen ik afgelopen weekend een keer ’s nachts naar huis wandelde waren de geveegde stoepjes gladder dan daar waar er niet geveegd was. En ook de Japanner Matsuo Bashõ (1644-1694) heeft er zo zijn twijfels over in deze haiku:

de tuin aanvegend
vergat hij gewoon de sneeuw -
en ook de bezem

DiDi 120 | Voornemens

De beste wensen mensen, dat 2010 maar een poëtisch jaar mag worden! En laten we het gelijk eens over de goeie voornemens hebben. Gestopt met roken? Op tijd naar bed? ’s Ochtends gezond weer op? Of misschien weer zo’n beetje iedere dinsdag meedoen aan Dichters op Dinsdag? Dat laatste lijkt mij een mooie, dan neem ik mij voor om iedere week op tijd een thema klaar te zetten. Het thema voor deze week is voornemens. Roken doe ik al anderhalf jaar niet meer maar het verlangen naar een sigaret dat is er soms nog wel. Rutger Kopland schreef daar een gedicht over: Over het verlangen naar een sigaret.

Ken je het verlangen naar een sigaret,
naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?

Niemand begrijpt dit verlangen behalve ik.

Ik herinner mij iemand die altijd
als ik iets zei dat ze niet begreep
antwoordde: op zich is dit heel intrigerend.

En ik herinner mij ook dat ik dan
die uitspraak een aantal malen
in mijn hoofd moest herhalen:
op zich is dit heel intrigerend
totdat de betekenis verdampt was.

God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen
dankzij het feit dat hij niet bestaat

en zo kunnen ook ondoorgrondelijke dingen
worden beweerd dankzij het feit
dat ze nergens over gaan.

Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.

Het verlangen naar een sigaret is
het verlangen zelf.

DiDi 119 | Een toost

Slainte Mhath (365-338)

Dames en heren, welkom bij de kerstborrel van Dichters op Dinsdag. Het jaar loopt bijna ten einde maar wij nog niet, wij zijn pas begonnen. Natuurlijk ondervinden ook wij hinder van de crisis, of die nu van financiële aard is of van Mexicaanse. We hebben hoe dan ook te weinig tijd voor het uitzoeken van een mooi gedicht, al dan niet onder de baas zijn tijd. Of te weinig tijd om zelf te dichten, wederom al dan niet onder de baas zijn tijd. Toch breng ik een toost uit. Op jullie, de deelnemers, en op de poëzie die ook in deze tijd van crisis troost, warmte, een glimlach of stof tot nadenken kan brengen. En niets tootst beter dan Koning Alcohol, een gedicht van Jan Eijkelboom. Proost, op jullie gezondheid!

Ik drink me elke dag weer dood
en sta als Lazarus weer op
met nog een graflucht om mij heen
die als bij toverslag verdwijnt
wanneer Hij mij een kelk aanreikt
vol koel en helder vocht
dat dan nog jong en klaar mag heten
al zal je later op de dag weer weten
dat Oude Snik of Oude Vlek
- bestaan die merken nog? -
op elke fles zou moeten staan
die door de slijter wordt gesleten.

Dichters op Dinsdag is op kerstreces tot 5 januari, tot dan!

DiDi 118 | IJsvrij

And Jesus was a skater when he walked upon the water (02-011)

Eindelijk winter! Niets mooier dan ’s nachts lekker koud en overdag een zonnetje. Een paar van dat soort dagen en de ijzers kunnen weer onder gebonden worden. Uiteraard is er het een en ander gedicht over schaatsen. Vondel en Hooft dichten er over maar bovenal Bredero. Graag had ik op deze plaats een lied van hem geplaatst met daarin de regels “nooit had ik meer verblijen als ’s winters in het rijen”. Ook in zijn toneelstuk Moortje besteede hij aandacht aan het schaatsen: “Die haeckten in huer schaets, so dat de goet-hart stort, En vil een harde smack, o dat ick my niet doot lach; Wangt sy vil op haer nues, so datmer Aal-korf bloot sach.” Her en der lees je op internet dat hij zelfs gestorven is na door het ijs gezakt te zijn, daar is echter niets van waar. Hij stierf in augustus 1618. Het bewuste lied waar deze regels uit komen heb ik echter zo snel niet kunnen vinden. In plaats daarvan dit titelloze sonnet van J.A. Dèr Mouw.

Dof violet is ‘t west en paarsig grijs.
Nog wandel ‘k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over ‘t hol rinkelend ijs:

Ik heb ‘t gevoel, of ‘k op ‘t bevroren glas
Cirk’lend, zwevend, zwenkend op kunst’ge wijs,
Met ‘t buigend bovenlichaam daal en rijs:
‘T is in mijn rug, of ‘k zelf op schaatsen was.

Zo hoop ‘k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm’lend op maat en rijm van hollands staal,

Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En ‘t fijn slieren en ‘t heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.

De foto is genomen tijdens de vorige vorstperiode, afgelopen januari.

DiDi 117 | Jaarlijstje

Een beetje vreemd thema maar het is er natuurlijk wel tijd voor: het beste van 2009. Het mooiste gedicht, de beste bundel, van mijn part de beste bundel die je dit jaar gelezen hebt, al komt ie uit 1987. Het beste gedicht dat je zelf schreef dit jaar, of een jaaroverzicht op rijm, al dan niet persoonlijk.

De mooiste bundel die ik zelf las is Zwaan kleef aan, samengesteld door Henny Vrienten. Een heel boeiende bundel waarbij het ene gedicht thematisch volgt op het andere gedicht. Zwaan van Federico García Lorca wordt gevolgd door Kleef aan van Eva Gerlach, Hurrahing in Harvest van Gerrard Manley Hopkins volgt op Hoera! De herfst komt van H.H. ter Balkt. Die laatste gaf als enige geen toestemming om zijn gedicht op te laten nemen, een beetje sneu als je het mij vraagt. Om het boekje compleet te maken:

De roodkoperen kont van de kunst
Wordt door velen gekust,
Zo komen ook op de 60watts gloeilamp
Vliegen en torren af bij miriaden

Denkend: waar ’t licht is is ’t lekker
De schrik van de torren ontlaadt zich
In miniscule stippen, hun altaren
Die zij bouwen op het glas van de gloeilamp

Hoera! de herfst komt! veel duister
Veel lampen veel vleugelslag
Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op:
De trekvogels gaan, de uiltjes komen.

DiDi 116 | Sinterklaas

Het kan niet anders, op de laatste dinsdag voor 5 december: het thema Sinterklaas. Uit de bundel De mooiste Sinterklaasgedichten uit de Nederlandstalige literatuur koos ik Sinterklaasgedicht van Jan Kal.

De Prisma-reeks heeft een Rijmwoordenboek
van A.M.C. Ballot-Schim van der Loeff,
die daar de gard voor krijgt in plaats van koek,
want wat daarin staat stemt de Sint heel droef.

Mijn truc is zo, als ik een rijmwoord zoek,
dat ik het ABC maar nemen hoef
en elke letter uitprobeer met -oek,
waarna ik alle clusters ook beproef.

Soms doe ik met een dubbelrijm mij voordeel.
Maar nu ter zake: op de uitgang -okkel
geeft zij slechts brokkel, smokkel en getokkel.

Maar kokkel, mokkel, sokkel, knokkel, sprokkel
heeft ze gemist, waarvoor ik haar veroordeel,
maar wel de zwartepiet naar ‘t Spectrum doorspeel.