DiDi

Dichters op Dinsdag

Flower

DiDi 119 | Een toost

Slainte Mhath (365-338)

Dames en heren, welkom bij de kerstborrel van Dichters op Dinsdag. Het jaar loopt bijna ten einde maar wij nog niet, wij zijn pas begonnen. Natuurlijk ondervinden ook wij hinder van de crisis, of die nu van financiële aard is of van Mexicaanse. We hebben hoe dan ook te weinig tijd voor het uitzoeken van een mooi gedicht, al dan niet onder de baas zijn tijd. Of te weinig tijd om zelf te dichten, wederom al dan niet onder de baas zijn tijd. Toch breng ik een toost uit. Op jullie, de deelnemers, en op de poëzie die ook in deze tijd van crisis troost, warmte, een glimlach of stof tot nadenken kan brengen. En niets tootst beter dan Koning Alcohol, een gedicht van Jan Eijkelboom. Proost, op jullie gezondheid!

Ik drink me elke dag weer dood
en sta als Lazarus weer op
met nog een graflucht om mij heen
die als bij toverslag verdwijnt
wanneer Hij mij een kelk aanreikt
vol koel en helder vocht
dat dan nog jong en klaar mag heten
al zal je later op de dag weer weten
dat Oude Snik of Oude Vlek
- bestaan die merken nog? -
op elke fles zou moeten staan
die door de slijter wordt gesleten.

Dichters op Dinsdag is op kerstreces tot 5 januari, tot dan!

DiDi 118 | IJsvrij

And Jesus was a skater when he walked upon the water (02-011)

Eindelijk winter! Niets mooier dan ’s nachts lekker koud en overdag een zonnetje. Een paar van dat soort dagen en de ijzers kunnen weer onder gebonden worden. Uiteraard is er het een en ander gedicht over schaatsen. Vondel en Hooft dichten er over maar bovenal Bredero. Graag had ik op deze plaats een lied van hem geplaatst met daarin de regels “nooit had ik meer verblijen als ’s winters in het rijen”. Ook in zijn toneelstuk Moortje besteede hij aandacht aan het schaatsen: “Die haeckten in huer schaets, so dat de goet-hart stort, En vil een harde smack, o dat ick my niet doot lach; Wangt sy vil op haer nues, so datmer Aal-korf bloot sach.” Her en der lees je op internet dat hij zelfs gestorven is na door het ijs gezakt te zijn, daar is echter niets van waar. Hij stierf in augustus 1618. Het bewuste lied waar deze regels uit komen heb ik echter zo snel niet kunnen vinden. In plaats daarvan dit titelloze sonnet van J.A. Dèr Mouw.

Dof violet is ‘t west en paarsig grijs.
Nog wandel ‘k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over ‘t hol rinkelend ijs:

Ik heb ‘t gevoel, of ‘k op ‘t bevroren glas
Cirk’lend, zwevend, zwenkend op kunst’ge wijs,
Met ‘t buigend bovenlichaam daal en rijs:
‘T is in mijn rug, of ‘k zelf op schaatsen was.

Zo hoop ‘k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm’lend op maat en rijm van hollands staal,

Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En ‘t fijn slieren en ‘t heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.

De foto is genomen tijdens de vorige vorstperiode, afgelopen januari.

DiDi 117 | Jaarlijstje

Een beetje vreemd thema maar het is er natuurlijk wel tijd voor: het beste van 2009. Het mooiste gedicht, de beste bundel, van mijn part de beste bundel die je dit jaar gelezen hebt, al komt ie uit 1987. Het beste gedicht dat je zelf schreef dit jaar, of een jaaroverzicht op rijm, al dan niet persoonlijk.

De mooiste bundel die ik zelf las is Zwaan kleef aan, samengesteld door Henny Vrienten. Een heel boeiende bundel waarbij het ene gedicht thematisch volgt op het andere gedicht. Zwaan van Federico García Lorca wordt gevolgd door Kleef aan van Eva Gerlach, Hurrahing in Harvest van Gerrard Manley Hopkins volgt op Hoera! De herfst komt van H.H. ter Balkt. Die laatste gaf als enige geen toestemming om zijn gedicht op te laten nemen, een beetje sneu als je het mij vraagt. Om het boekje compleet te maken:

De roodkoperen kont van de kunst
Wordt door velen gekust,
Zo komen ook op de 60watts gloeilamp
Vliegen en torren af bij miriaden

Denkend: waar ’t licht is is ’t lekker
De schrik van de torren ontlaadt zich
In miniscule stippen, hun altaren
Die zij bouwen op het glas van de gloeilamp

Hoera! de herfst komt! veel duister
Veel lampen veel vleugelslag
Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op:
De trekvogels gaan, de uiltjes komen.

DiDi 116 | Sinterklaas

Het kan niet anders, op de laatste dinsdag voor 5 december: het thema Sinterklaas. Uit de bundel De mooiste Sinterklaasgedichten uit de Nederlandstalige literatuur koos ik Sinterklaasgedicht van Jan Kal.

De Prisma-reeks heeft een Rijmwoordenboek
van A.M.C. Ballot-Schim van der Loeff,
die daar de gard voor krijgt in plaats van koek,
want wat daarin staat stemt de Sint heel droef.

Mijn truc is zo, als ik een rijmwoord zoek,
dat ik het ABC maar nemen hoef
en elke letter uitprobeer met -oek,
waarna ik alle clusters ook beproef.

Soms doe ik met een dubbelrijm mij voordeel.
Maar nu ter zake: op de uitgang -okkel
geeft zij slechts brokkel, smokkel en getokkel.

Maar kokkel, mokkel, sokkel, knokkel, sprokkel
heeft ze gemist, waarvoor ik haar veroordeel,
maar wel de zwartepiet naar ‘t Spectrum doorspeel.

DiDi 115 | Doorgaan

Waar doe ik voor? vraag ik mij wel eens af. De eerste 100 DiDi’s werden door een stuk meer mensen meegespeeld, hoewel het tegen het einde ook rustiger was, misschien zelfs wel het einde heeft ingeluid. Goed, we hebben het allemaal druk, druk, druk, en zelf ben ik ook niet iemand die overal leest er reageert.

Niet dat ik er mee stoppen wil, ik ga minimaal door tot nummer 25 en daarna evalueren. En dan nog eentje om een half jaar vol te maken. Nog 4 om tot de 30 te komen…

Het gedicht van deze week komt van Job Degenaar en heet Het gaat totdat het niet meer gaat

Zoals het voelt als je je arm
wilt leggen om haar middel

en je tilt, maar hij lijkt
opeens wel van beton -

Je ogen volgen de late vogel
die gedragen op de stormwind

zijn mogelijkheden aftast
boven het rusteloze water,

een zwarte plek, al haast
versmolten met het donker -

De vanzelfsprekendheid
waarmee je je dagen sleet,

hoeveel wonder school daarin,
hoe vanzelfsprekend

verdween die ook

DiDi 114 | Beestjes

Beestjes. Kleine kriebelende, friemelende beestjes. Insecten dus. Van bezige bijtjes tot nijvere spinnen. Of de Kakkerlak, zoals in het gedicht van Koos Geerds.

Wij bikken, wij bakken, wij putten, wij poten,
wij paffen, wij puffen, wij deppen, wij dopen,
wij tappen, wij typen, wij boeten, wij bijten,
wij bieden, wij baden, wij dieven, wij duiden

de petten, de pitten, de peten, de pot,
de daken, de doeken, de dekens, de dot,
de kiespijn, de kieskauw, de kookpot, de kruik,
het bokbier, de bierbuik, de bouwdoos, de bruid,

het heethoofd, het hinkhof, de hoogheid, de huid,
de hofheer, de houtmijt, de helhond, het huis,
de baker, de beker, de bakker, het brood,
de doerak, de duivel, de drugspuit, de dood.

DiDi 113 | Lief dagboek

Sinds een paar dagen volg ik @GeheimDagboek op twitter, iedere dag citaten uit bijna 60 jaar dagboeken van Hans Warren. Vanochtend bij de bibliotheek maar eens gekeken of ze daar wat van hadden en deel 16 meegenomen, de jaren 1984-1987.
De bijdrage komt ook van Hans Warren, want naast dagboek schrijver was Warren ook dichter. De titel luid heel toepasselijk Een datum.

Wat deed ik
op twintig juli negentien zeven en veertig,
is dat ooit te achterhalen?
Ja, heel precies.
Wel tien dagboekbladen
vol liefdesverdriet en hoerigheid.
Ik heb het nagelezen,
dat lang vergeten spel van lust en leed
en ben nu terneergeslagen
wegens die man van vijf en twintig, toen,
en wegens de boreling van die dag,
die elkaar zeven en twintig jaar later
zouden ontmoeten, om hetzlefde spel
opnieuw op te voeren.

DiDi 112 | Regen

Het thema van vandaag kwam zomaar naar beneden vallen: regen. Ik ben de afgelopen 2 dagen net iets te vaak nat geregend om het leuk te kunnen vinden. Overwegingen en conclusie bij regen van Jacques Hamelink is dan ook een uitermate toepasselijk gedicht.

Het verschil tussen het uitzicht uit een zolderraam in de Dapperbuurt
en een kijkje in de etalage van een sexshop op de Nieuwendijk
is misschien niet zozeer dat tussen Bloem en mij als wel
een verschil in tijd en toevallige omstandigheid,
bij dezelfde motregen. Zit in een dildo,
zit in friet uit de muur poëzie?
zijn academische vragen. Die zit op zich in niets
en zo bestaat ze voort, een vonk
waarvan geen vuur is, minder omlijsting dan visie,
het werk van een windvlaag uit een steeg,
en er is, de hele Divina Commedia ten spijt,
geen ander leven dan dit, vaak drabbig,
meestal wansmakelijk en altijd hartgrondig,
waarop ze is aangewezen.

DiDi 111 | Oeroeg

Nederland leest Oeroeg. Ik las het boekje de afgelopen dagen en dacht: daar kunnen we met DiDi ook wel wat mee doen. Bij deze. Mijn bijdrage is het gedicht Het meer van H.B. Peeters (1825-1893), het deed mij denken aan het meer Telaga Hideung.

Het meer is lieflijk,
Wanneer de maan
Haar licht er over
En weer laat gaan;
Haar stralen slingren
Op ‘t water snel,
Als gouden aders
OP blauwend vel.

Het is zo lachend,
Wen in zijn plas
De boom zich spiegelt,
Als in een glas,
En met zijn blaadren
In ‘t water plast,
En zijne voeten
Er baadt en wast.

Het is betoverend,
Ziet er het heer
Der kleine starren
Des nachts op neer;
Het is, als had men
Het rijkst gesteent
Uit heel de wereld
Er in vereend.

Maar ook bedriegend
Is de effen plas:
‘t Gevaar is onder
‘t Bekoorlijk glas:
Want weet, daar kan zich
Een rots versteekt,
Waarop het vaartuig
Des schippers breekt.

Het meer is ijslijk:
Zo men de blik
Ten grond liet dalen,
Greep ons de schrik;
Want op de bodem
Is morsig slijk,
Er liggen beendren
Van menig lijk.

DiDi 110 | Ziek

Je moet onderwerpen nooit te ver weg zoeken, zeker niet als je net als ik ziek in bed ligt. Ziek is dus het thema van vandaag.
Ook de bijdrage zoek ik niet ver. Van voormalig stadsdichter Joost Zwagermans hangt in het MCA, het lokale ziekenhuis, het volgende gedicht getiteld Op zaal

Belde om de nachtzuster.
Om haar vingers waarmee zij het piekend haar
voor mijn ogen vandaan strijkt. Kopje thee
graag en de kosmos van vandaag. Komt ze
even later terug, brand ik mijn handen
aan de mok, slurp in vogelvlucht de zaal wakker,
lispelend boven damp en droesem over God
Die in het bed hiernaast ook in Zijn slaap
wat ligt te praten. Een organist speelt
walsend musdruil aan het raam. Val van dak
het bed weer in en bid mijn thee naarbinnen.